Laster en eerroof door een gildebroeder te Meldert in het jaar 1718.

Laster en eerroof door een gildebroeder te Meldert in het jaar 1718.

Tijdens het vorsen in het archief van de schepenbank van Asse in het rijksarchief te Leuven vond ik de hierna opgenomen rechtszaak die ons veel gegevens verschaft over het functioneren van een dorpsgemeenschap tijdens het ancien régime. Om de destijds geproduceerde documenten beter te begrijpen, eerst een korte beschrijving van de dorpsgemeenschap.

Meldert werd toen bestuurd door de schepenbank van Asse die op dorpsniveau vertegenwoordigd werd door de dorpsofficier, rechterhand van de (hoofd)drossaard, en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die verdeeld werden door de bedezetters over alle belastingplichtigen[1]. De taken van de schepenbank gingen echter verder dan de huidige taken van burgemeester en schepenen. Zij bezat de hoge justitie die oordeelde over zowel criminele als burgerlijke geschillen. Tevens behandelde zij zaken in verband met onroerende goederen (goedenissen) zoals erfenissen, voogdij over wezen, enz.

Maar zij alleen hadden het niet voor het zeggen, zeker even belangrijk was de pastoor, toentertijd Jacobus Vresins ook door latinisering als Vresius vermeld in akten. Hij had niet alleen op kerkelijk gebied de touwtjes in handen maar had ook een vinger in de pap in de armenzorg, de Heilige Geesttafel of armentafel genoemd. Deze werd bestuurd door de pastoor samen met meestal twee armmeesters.

En dan had men nog de schuttersgilde van Sint-Jozef die volgens overlevering opgericht werd in het jaar 1565[2]. Aan het hoofd van de gilde stond de hoofdman en was verder samengesteld uit de koning die de koningsvogel het voorgaande jaar had geschoten, dekens, een griffier, de oudermannen, de alferis (vaandeldrager), de knaap, de tamboer, en verder de gildebroeders. Als teken van hun waardigheid als lid van de gilde kregen of kochten de leden een gildestok die verder in deze zaak een rol zal spelen.

Een korte schets over het functioneren van de schepenbank.

Een zaak voor de schepenbank brengen kon men door een verzoekschrift in te dienen, in dit geval werd de eiser in de akten suppliant genoemd. Indien het op een andere manier gebeurde dan werd de eiser “aenlegger” genoemd en de verweerder “gedaeghde“. De beide partijen hadden het recht een procureur aan te stellen, nu zou men spreken van een advocaat, om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de “rolle” werd gezet voor verdere kennisneming door de schepenen. Deze “schrifturen” werden dan gevolgd door een “replicque“, een “duplicque“, “persisteringhe” enz. waarop dan weer een “Antwoorde met verclaeren ende conclusie” kon volgen. Griffiers werden betaald per bladzijde die zijschreven wat een verklaring is voor de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen die in veel documenten voorkomen. Nadien werd er gepleit door de procureurs die, zoals hedendaags nog steeds gebeurt, beproefden de zaak op de lange baan te schuiven. Na veel getrek en geduw werd dan een vonnis geveld. De (hoofd)drossaard, de vorster, of de dorpsofficier hadden echter ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen, zij traden dan op als openbaar aanklager.

Relaas van de gebeurtenissen en de gevolgen die deze meebrachten.

Op zondag 12 juni 1718, zondag na Pinksteren, wandelden Jan De Coster en zijn huisvrouw samen met Gillis Van Nieuwenborgh van aan de kloosterpoort van Affligem naar huis. Woonden ze beiden op Nievel? Vermoedelijk hadden beide een glaasje teveel op want zij waren om tien uur ’s avonds uit de herberg Sinte Huibrechts, aan de dries van Bleregem gelegen, gekomen. Alle twee waren ze gildebroeders die met hun gildebroederstok op stap waren, was de processie die dag in Hekelgem uit gegaan?

Ver waren ze nog niet geraakt of er volgde een handgemeen zoals blijkt uit de latere getuigenissen. Jan De Coster had zijn gildebroederstok op de rug van Gillis Van Nieuwenborgh stuk geslagen terwijl hij riep dat de leden van de gilde allemaal dieven waren hun stokken allemaal dievenstokken waren.

Dat Jan De Coster geen katje was om zonder handschoenen aan te pakken blijkt ook uit een verslag van de dorpsofficier van Meldert. In het jaar 1715 had hij reeds Jan Van Mulders tijdens een vergadering van de gilde zwaar geaffronteerd waarvoor hij later dan zijn excuses aanbood.

Ook pastoor Vresius, die op dat ogenblik hoofdman van de gilde was, had met hem een eitje te pellen. Een van de voorgaande jaren was Jan De Coster collecteur van Meldert geweest. In zijn rekening diende de pastoor ook zijn belasting te betalen maar deze werd geroyeerd door de bedezetters. Toch had hij de pastoor verplicht te betalen en zoiets blijft zwaar op de maag liggen, zelfs op de maag van een pastoor.

Dus werd dit laatste voorval de druppel die de emmer deed overlopen, pastoor Vresius, Franciscus Robijns koning van de gilde, en een hele rij gildebroeders brachten de zaak voor de schepenbank en eisten zijn ontslag uit de gilde en een eventuele boete door de schepenbank te bepalen. Het vonnis van de schepenbank bevond zich spijtig genoeg niet de betrokken map.

De sociale perceptie van de personen en interpretatie van de documenten laat ik over aan de lezer.

Alle documenten die hierna volgen zijn in chronologische volgorde geplaatst en worden weergegeven zoals ze toen werden geschreven.

Den ondergeschreven officier des Lants van Assche vercleert mits dese ten versuecke van Joannes Van Mulders innegesetene van Meldert beneffens Adriaen Van Linthout schepenen tot Assche, ende Andries De Witte bedesetter, ende innegesetenen der voorschreven prochie van Meldert als goede mannen ons getransporteert te hebben ten huijse van sekeren Jan De Coster insgelijcx innegesetene van Meldert ende hebbe ick ondergeschreven officier ter versuecke van de voorschreven requiranten gevraeght oft hij de injurieuse woorden die den voorschreven Jan De Coster deijnsdach lestleden in de vergadering van de gulde heeft naergeseijt, heeft geantwoord dat het hem leedt is sulcx geseijt te hebben ende dat hij wel wenste om een pistool oft twee sulcx nijet geseijt te hebben ende dat hij bereedt is in de presentie van hooftman, coninck, dekens, ende guldebroeders de selve injurieuse[1] woorden te revoceren, actum 5de 7ber 1715.

Op den 17de 7ber 1715 heeft Jan De Coster innegesetene van Meldert verclaert voor schepenen van Assche dat Jan Van Mulders, bedesetter van Meldert, is eenen man van eere staende in goede naeme ende faeme ende dat hij comparant de injurieuse woorden is revocerende mits desen ad manus des officiers loco des heere hooftdrossaert Put …….. Van Mulders 1715, Jan De Coster, 1715.

 

Den ondergeschreven geeft bij desen vollen last ende procuratie aen meester Cristoffel Van Conincxloo, procureur, om in mijne naem ende van mijnen tweghen alsulcken saecke voor de wethouderen van Assche te deffenderen ende te vervolghen als ick ondergeschreven ghenootsaeckt ben, vuijtte stellen totte diffinitieve toe met macht van substitutie in qualiteijt als gedaeghde, op, ende tegens die coninck, hooftman, dekens, ende ouderlinghen der Gulde van Meldert aenleggeren advoyerende tot dijen allen het ghene den selven Conincxloo hierinne sal connen te doen ende alreede heeft ghedaen mede de schrifture van antwoorde ende verclaeren ende conclusie reconventioneel met hope van ten diffinitieven te triumpheren met coste, ghelovende ende verbindende ettha.

Actum XXI° juni seventhien hondert achthien ende was onderteeckent Jan De Coster.

Concordatiam attestor.

 

Den ondergeschreven (Jan Robijns) oudt sijnde ontrent vijfthien jaeren verclaert ende attesteert mits desen ten versuecke van den coninck, hooftman, dekens, ende guldebroeders der gulde van Meldert nochtans sonder inductie ofte persuasie[2] van iemand dan enckelijck in faveur van justitie waerachtich te sijn dat hij op den twelffsten juni lestleden t’avonts ontrent den thien uren wesende den feestdagh van de Heijlighe Drijvuldigheijt (zondag na Pinksteren), dat ick ondergeschreven hebbe gestaen op de straete voor de deure van onse poorte ende aldaer hebbe sien commen eenen sekeren Jan De Coster met sijne huijsvrouwe ende eenen sekeren Gillis Van Nieuwenborgh alwaer Jan De Coster aen dito Van Nieuwenborgh heeft verweten dat de guldebroeders allemael dieven waeren, jae tot den hooftman toe ende dat de stocken die sij waeren draghende allemael thiende dievenstocken waeren ende heeft daerenboven aen Gillis Van Nieuwenborgh sijnen guldestock willen affnemen ende den selven nijet connende crijghen heeft hem den stock moeten laeten gaen ende Jan De Coster heeft daerenboven sijnen eijghen stock op Van Nieuwenborgh in stucken geslaghen, bereet sijnde ’t gene voorschreven is des aensocht voor alle hoven ende wetten onder solemnele eedt te vernieuwen, in teecken der waerheijt hebbe dese onderteeckent desen negenentwintichsten augustus seventhien hondert negenthien, gevende voor redenen van wetentheijt dat ick daer present hebbe op staen sien ende mijne memorie daervan noch heel vers is, was onderteeckent Jan Robijns.

Concordantiam attestor, J; De Heze, notaris.

 

Den ondergeschreven (Joannes Carolus Bastiaen) oudt ontrent tweeëntwintich jaeren verclaert ende attesteert mits dese ten versuecke van die hooftman, coninck, dekens, ende guldebroeders der prochie van Meldert nochtans sonder persuasie ofte inductie van iemand dan enckelijck in faveur van justitie waerachtich te sijn dat Jan De Coster ende Gillis Van Nieuwenborgh op den twelffsten deser s’avonds ontrent den thien uren, wesende den feestdagh van de Heijlighe Drijvuldigheijt, t’samen gecommen sijn aen de cloosterpoorte van Affligem tot aen de herberghe genoempt Sinte Huijbrecht ende ick van achtervolghende hebbe gehoort dat sij eenighe rusie t’samen hadden als wanneer sij voorts gegaen sijn tot aen den vijver, alwaer den voorschreven (De) Coster heeft willen den guldenstock nemen vuijtte handen van den geseijden Van Nieuwenborgh, segghende geeft mij dijen stock, waerop Van Nieuwenborgh antwoorde, waeromme soude ick uw dijen stock geven, replicerende den selven Coster, het is eenen dievenstock want hij is met dievengelt gecocht ende betaelt, gevende voor redenen van wetentheijt dat ick ’t gene voorschreven is hebbe gesien ende hooren hun segghen, daerbij ende present geweest te sijn ende dat mijne memorie daervan noch vers is, bereet sijnde des aensocht ’t gene voorschreven is onder solemnelen eede te vernieuwen. Actum achtentwintichsten juni seventhien hondert achthien, was onderteeckent Joannes Carolus Bastiaen.

Concordantiam attestor, J; De Heze, notaris.

 

Den ondergeschreven (Judocus Geerstman[3]) oudt ontrent achthien jaeren verclaert ende attesteert mits dese ten versuecke van die coninck, hooftman, dekens, ende guldebroeders van de gulde van Meldert nochtans sonder persuasie ofte inductie van iemand dan enckelijck in faveur van justitie waerachtich te sijn dat hij op den twelffsten juni lestleden t’savonts ontrent den thien uren wesende den feestdagh van de Heijlighe Drijvuldigheijt, commende van Heckelgem vuijtte herberghe genoempt Sinte Huijbrecht den wegh inne lancx den clooster ronchtinck is gegaen om naer huijs te commen ende sijn mij gerencontreert twee jonghmans, den eenen, den sone van Michiel De Donder ende den anderen den sone van Aert Wambacq die mij seijden, gaet ende loopt seer, sij willen Gillis Van Nieuwenborgh, alias Gilleken oom daer doot slaen, als wanneer ick den wegh geadvanceert ben tot op den hoeck ende alsdan op de straete gespronghen ende soo advancerende tot aen de poorte van Jan Baptista Robijns ende voorts gegaen sijnde tot aen den stichel achter het huijs van den selven Robijns hebbe aldaer vinden ende sien staen den gemelden Gillis Van Nieuwenborgh ende sekeren Jan De Coster beneffens sijne huijsvrouwe als wanneer den selven De Coster seijde met drijgende woorden, den iersten die mij aen compt, ick stecke hem een mes in sijn hert, als wanneer hem van achter met sijne hermen over sijne schouders hebbe gepackt segghende als dan dito Coster, de guldebroeders sijn dieven ende alle hun stocken sijn thiende dievenstocken, gevende voor redenen van wetentheijt dat ick daerbij ende present hebbe geweest, allen ’t selve gesien ende ghehoort te hebben ende dat mijne memorie daervan noch geheel vers is, bereet sijne ’t gene voorschreven is des aensocht voor alle hoven ende wetten onder solemnelen eede te vernieuwen ende reciteren, in teecken der waerheijt hebbe dese onderteeckent desen elffsten juli seventhien hondert achthien, was onderteeckent Judocus Geerstman.

Concordantiam attestor, J; De Heze, notaris.

 

Procuratie geëxhibeert[4] den 16de augustus 1718 voor die coninck, hooftman, ende guldebroeders van Meldert, aenleggeren in materie van injurie tegens Jan De Coster gedaeghde.

De ondergeschreven coninck, hooftman, deckens, ende guldebroeders der prochie van Meldert geven mits dese vollen last ende procuratie aen den procureur Crick om in onsen naeme totten diffinitieven toe te vervolghen alsulcken saecke ofte proces als wij voor schepenen des Lants van Assche in qualiteijt van aenleggeren in materie van injurie genootsaeckt sijn te sustineren tegens Jan De Coster gedaeghde, gelovende ende verbindende als naer rechte. Actum achtentwintighsten juni seventhien hondert achthien, waeren onderteeckent J. Vresius pastoor en hooftman, Franciscus Robijns als coninck, De Witte, Jan Asselijns, Gillis Mertens, met een merck in forme van een cruijs daerbij geschreven stont, d’mercq van Gillis De Nil gewesene coninck, Peeter De Nil, met een merck in forme van een cruijs daerbij geschreven stont d’mercq van Peeter Geeroms, Joos Buggenhout, Steven De Kempeneer, met een merck in forme van een cruijs daerbij geschreven stont d’mercq van Michiel Dooms, Guilliam Vermoesen, Anthonis Beeckman, Guilliam Van Zeebroeck, met een merck in forme van een cruijs daerbij geschreven stont dit is het mercq van Gillis Van Den Bossche, Adriaen Van Linthout, folio verso staet als volght:

Dese handteeckens dienen voor de procuratie, op d’ander seijde vermelt XXVIII° juni XVII° achthien, was onderteeckent J. Van Nuffel als coninck, Michiel De Bisschop, Jan Van Den Broeck, Gillis Van Den Wijngaert, Jan Van Mulders, Gillis Louvens, met een merck in forme van een cruijs daerbij geschreven stont d’merck van Hendrick kindermans, Gilliam De Vis, Franchois Buggenhout, Jan Van Onsem, Peeter De Ridder, stoeldraijer.

Concordantiam attestor, J. De Heze notaris.

 

Antwoorde met verclaeren ende conclusie met een stuck annex voor Jan De Coster ingesetene guldebroeder der prochie van Meldert, Lande van Assche, gedaeghde, teghens die coninck hoofftman, dekens, ende ouderlinghen der Gulde van Meldert voorschreven, aenleggeren. Overgebrocht den 20ste augustus 1718.

Den voorschreven gedaeghde ghesien hebbende de verbaele conclusie des aenleggeren ter rolle van den achtentwintighsten juni lestleden ghedient ende affgeteeckent voor U. E. seght daer tegens het naervolghende onder alle ettha.

1 – Dat het waerheijt is dat hij gedaeghde beneffens sijne huijsvrouwe op den twelffsten juni lestleden commende in den avond van sekeren Thomas Verleijsen van aen den huijse “De Vier Heemers” met sekeren Gillis Van Nieuwenborgh in renconter al kautende sonder eenigh onpasselijck woord met elckanderen te hebben gehadt tot aen de huijse van sekeren Franchois Van Den Bossche.

2 – Den gedaeghde aen dito Van Nieuwenborgh vraegende in verbis wat hij voor eenen stock in sijne handen was hebbende, waerop den voorschreven Van Nieuwenborgh wel beschonken sijnde, antwoorde dat het eenen guldebroeders stock was ende begonst op de voorseijde vraege hem gedaeghde te carrelleren.

3 – Waerop den gedaeghde hem dito Van Nieuwenborgh noijnt onpasselijck woord heeft naergheseijt ende commende alsoo t’saemen den voorschreven Van Nieuwenborgh, den gedaeghde al carrellerende tot aen de herberghe van Sinte Huijbrecht binnen de prochie van Hekelgem sonder dat hij gedaeghde oijnt woord heeft gesproken, is aldaer van de gedaeghde gescheijden ende in de voorschreven herberge gegaen.

4 – Den gedaeghde beneffens sijne huijsvrouwe, gaende om naer hun huijs te gaen, ende wat gheadvanceert sijnde, is hij dito Van Nieuwenborgh vuijtte herberghe van Sinte Huijbrecht gecommen ende hem gedaeghde opvolgende roepende met luijder kele op den gedaeghde, wilt gij een eerelijck man sijn, staet, staet, mordicu.

5 – Den gedaeghde omme siende ende siende dat het den voorschreven Van Nieuwenborgh was, sijn hunnen ganck blijven avanceren ende innesiende de dronckenschap des voorschreven Van Nieuwenborgh sijn geavanceert gheweest tot aen sekeren huijse van Jan Baptista Robijns ende aldaer een weinigh blijven staende, is hij Van Nieuwenborgh bij den gedaeghde gecomen in eene onvermete collère, stootende den gedaeghde twee à drije reijsen met sijnen voorseijden guldebroedersstock ende alsoo slaende den gedaeghde op sijne schouders.

6 – Waerop den gedaeghde innesiende dat hij dito Van Nieuwenborgh met sijne guldebroedersstock andermael vermijnde den gedaeghde te slaen, heeft hij gedaeghde met een gauwigheijt met sijnen stock den slagh weirende alsoo sijne stock in stucken gheslaegen op den stock van dito Van Nieuwenborgh ende alsoo vastnemende sijnen stock, heeft hij gedaeghde den selven weijnighen teijdt daernaer den stock van dito Van Nieuwenborgh laeten gaen.

7 – Ende alsoo avancerende heeft hij dito Van Nieuwenborgh ghevraeght met een sat ghemoet oft hij gedaeghde sijne guldebroedersstock wilde affnemen, den gedaeghde antwoordende was van neen, ende dat hij met sijnen stock soude gheiren loopen ende wandelen gaen.

8 – Den gedaeghde ontkent wel expresselijck dat hij soude gheseijt hebben dat de guldebroeders allemael dieven sijn ende dat het allemael dievestocken sijn die sij sijn draeghende als oock dat hij gedaeghde den voorschreven Van Nieuwenborgh al sweirende soude willen hebben den stock affnemen ende in stucken willen slaen hebben.

9 – Maer het can misschien eensdeels voor de waerheijt sijn dat hij gedaeghde insgelijcx ghedroncken gehadt hebbende ende sijn bloed verwarmpt sijnde gheweest ende door die gheduerighe affronteuse woorden des voorschreven Van Nieuwenborgh, den gedaeghde wel can gheseijt hebben datter misschien dieven in de gulde sijn.

10 – Overmits het over eenigh teijt ghebeurt ende voorgevallen is gheweest, de guldebroeders vergaedert sijnde, den heere pastoor aldaer als hoofftman coomen seijdt van de selve gulde, sijnde alsoo geresolveert om aen de tafel te gaen sitten eten.

11 – Aldaer was commende als guldebroeder om mede aen de tafel te gaen beneffens sijne huijsvrouwe sekeren Jan Asselijns, den voorschreven dito heere hooftman, seggende was in verbis dat hij dito Asselijns hem soude retireren van de tafel ende publiecquelijck seggende dat hij soude commen als men hem sal ontbieden want hij met gheene dieven wilde aen tafel eten ofte in de gulde wilde hebben.

12 – Welcke Asselijns alsoo is vertrocken van de tafel beneffens sijne voorschreven huijsvrouwe ende nu al wederomme in de gulde is comparerende beneffens d’andere.

13 – Hij gedaeghde misschien op dit pretext ende vuijt dese oorsaecke wel sulcke woorden can geseght hebben, het ghene men nochtans nijet en is geloovende.

14 – Dogh men weet nijet met wat gemoet ende fondament sij aenleggers in hunne qualiteijt ende naementlijck den heere hoofftman voorschreven als spelende den suffisante, den gedaeghde alhier willen commen …. met dese cas voor hands in materie van injurie ende dat op een eijdel onwaer gesegh ofte satte propoosten.

15 – Daer hij dito hoofftman den voorschreven Asselijns als wesende een eerelijck man, sulcke woorden heeft naergeseijt, hij gedaeghde maer en heeft gesproken vuijtten mondt van hem heere hoofftman, ingevalle hij sulcke propoosten met dito Van Nieuwenborgh souden gehadt hebben, dogh wordt wel expresselijck ontkent bij desen ende dijenvolgens behoorden hij hem te schaemen over den aenstel deser.

16 – Ende men weet daerenboven oock nijet op wat voet ende pretext dat sij aenleggeren den gedaeghde als wesende insgelijcq guldebroeder noijnt t’sedert sijn aencomste der gulde en hebben doen compareren.

17 – Als sijnde constant dat het aldaer in de voorseijde gulde eene observantie ende ghebruijck is ende oock achtervolght wordt dat sij guldebroeders alle comparitie door de cnaep ofte tamboir worden ghemaent ende ontboden ten daeghe te compareren, sij hem gedaeghde noijnt en hebben doen vermanen te compareren nu ten teijde van sesse à seven jaeren.

18 – Waerdoor hij gedaeghde bij iedereen aensien wordt als een ondeughdelijck man ende bij dese verstaet ghementineert te worden als guldebroeder ende om wat oorsaecke sij hem gedaeghde noijnt door den cnaep en hebben doen vermanen.

19 – Ende oft sij aenleggeren op hem gedaeghde iet weten te seggen ’t ghene sijne eere ofte reputatie soude raecken waerdoor den gedaeghde als wesende een eerelijck man, staende te goeden naem ende faem bij dijen middel van non comparitie der gulde bij iedereen aensien wordt voor eene oneerelijcke man, ja, het ghene nijet alleen den gedaeghde is raeckende maer selver daer door sijn nemende de eere ende reputatie van sijne vrouwe ende kinderen ende alsoo bij desen wilt gerepareert sijn van sijne eere ende reputatie bij middel van comparitie der gulde vergaederinghe.

20 – Sijnde oock onlanx ghebeurt den heere hoofftman, sterck spelende den meester, sekeren Franchois Van Ontsem, officier der prochie aldaer ende guldebroeder commende met sijne confreers in de kercke van Meldert vermijnende oock ten offeren te gaen ende den peijs te kussen, hij dito heere pastoor hem was omkeerende sijnde op dito Van Ontsem ghepicqueert ende alsoo daerover aen hem Van Ontsem ghewijgert heeft den peijs te kussen als oock aen den gedaeghde ende volgende guldebroeders, het gene ten desen geheel impertinent was voor eenen geestelijcken persoon.

21 – Soo dat U. E. connen sien dat den cas voor handen bij den heere hoofftman alleen maer en is opghecolft ende geschiet als wesende wat op den gedaeghde ghepicqueert om dat hij gedaeghde in qualiteijt als collecteur gheweest sijnde int faveur van de ghemeijnte was sprekende, raeckende sijn ghequottiseerde die gheduerigh sijn ghepasseert in rekeninghe voor faulte ende waermede de arme ingesetenen sijn belast gheworden.

22 – Als sijnde voorts waerachtigh dat in des gedaeghde rekeninghe eene merckelijcke somme van penninghen wegens de bedesetteren is geroyeert gheworden ende den heere hoofftman weijgerende hem gedaeghde te betaelen heeft hij gedaeghde den selven doen sommeren tot betaelinghe van sijne ghequottiseerde.

23 – Soo dat U. E. conne sien vuijt wat picantigheijt den heere pastoor als hoofftman van de gulde innesiende dat hem gheene passeringe in de rekeninghe van sijn ghequotiseerde meer en geschiet, hij den gedaeghde met dese opgecolffde ongefondeerde procedure tracht te willen chagrumeren ende alsoo bij dese hem gedaeghde wilt te passe brengen bij revangeringe als bestaende in eene eijdele passe op pretext als hoofftman van de gulde.

24 – Jae, soo verre dat hij gedaeghde sijnde mette heere hoofftman, hij hem gedaeghde over den cas voor handen ter presentie van sekeren Francis Robijns, hem gedaeghde was overgaende ende wat dat, dat sijn affairen sijn, dat hij de regeerders soude laeten ghewedden, jae oock in verbis seggende van den gedaeghde in desen wilde swijgen van alles datter ghepasseert is, wij sullen vrinden sijn.

25 – Waerop den gedaeghde was antwoordende van neen, ende dat hij maer en was sprekende in de gerechtigheijt ende dat sulx nijet cristlijck en was ende in sijne boecken ende rekeninghen al reede ghepasseert was ontrent de drije hondert guldens van sijns pastoors ghequotiseerde ende alsoo onredelijck ’t selve te moeten betaelt te worden bij de arme ingesetenen, scheijdende alsoo van malcanderen.

26 – Doch den gedaeghde seght andermael bij desen noijnt ghepeijs gehadt te hebben van alsulcken woorden geseght te hebben van de guldebroeders van Meldert maer dat hij gedaeghde alle de selve gulders is kennende als eerelijcke luijden, staende ten goeden naem ende faem.

27 – Sustinerende[5] hij gedaeghde met dit sijn verclaeren te moeten gestaen (volstaan) ende dat sij aenleggeren om voorders bij hunne verbaele conclusie versocht, gheageert ende gheconcludeert te hebben, soo ende ghelijck sij dat hebben ghedaen ende als daer bij te willen blijven insisteren[6] bij U. E. vonnis diffinitieff verclaert sullen worden ongefondeert ende nijet ontfanckbaer cum expansis.

Ende mits ettha.

Debatterende ettha.

  • Soo wordt concluderende ghecontendeert dat sij aenleggeren voorts bij desen sullen hebben te verclaeren omme wat redenen ende oorsaecke sij den gedaegdhe sijn vuijtsluijtende der gulde mitsgaeders hij gedaeghde sal worden ghekent als guldebroeder der gulde van Meldert ende daerenboven hem gedaeghde ten vergaerdaeghe sullen hebben te doen vermaenen beneffens alle de andere guldebroeders te compareren, soo ende ghelijck dat behoort, protesterende andersints ettha cum expensis.

Inghevalle oft dat ettha. Implorerende ettha.

 

Replicque ten principaelen met antwoorde op conclusie reconventioneel voor die coninck, hooftman, dekens, ende guldebroeders der gulde van Meldert, aenleggeren ende ghereconvenieerde, tegens Jan De Coster ingesetene van ’t selve Meldert, gedaeghde ende reconvenient.

De voorschreven aenleggeren ende gheconvenieerden bij copije ghesien hebbende alsulcken schrifture van antwoorde met verclaeren ende conclusie reconventioneel als bij offte van wegens den gedaeghde ende reconvenient alhier voor U. E. is ghedient ende overgheleijdt apud acta van den sesthienden augustus seventhien hondert achthien lestleden segghen daertegens ’t ghene hiernaer volght onder alle ettha.

1 – Dat in quantum pro wordt gheaccepteert dat den gedaeghde bij den iersten articule sijnde voorschreven schrifture van antwoorde toestaet op den twelffsten juni lestleden in den avond op de straete geweest te hebben met Gillis Van Nieuwenborgh, eenen der aenleggeren commende te saemen van Heckelghem.

2 – Maer men ontkent wel expresselijck dat hij gedaeghde met den selven van Nieuwenborgh geene onpasselijcke woorden en soude gehadt hebben ghelijck in fine van den selven articule tot sijnder excusie wordt voorwendt.

3 – Daerenboven ontkennen de aenleggeren et quidem summoperé dat den voorschreven Van Nieuwenborgh hem gedaeghde soude hebben ghecarrelleert ofte eenigh woordt soude hebben naergheseijt van het ghene pretenselijck gheposeert wordt articulis twee, drije, en vier.

4 – Ghelijck oock voor verdicht ende onwaerachtigh affgewesen wordt, ’t gene den gedaeghde den selven Van Nieuwenborgh temerairlijck is opteijghende bij sijne volghende vijffden, sesden, ende sevensten articule.

5 – Behalvens dat den gedaeghde bij sijne articulen ghenoeghsaem d’accoordt blijfft aengaende de overgroote injuriën ende eerkrenckinghe die hij den voorschreven Van Nieuwenborgh ende het geheel corpus van de gulde op den voorschreven twelffsten juni seventhien hondert achthien heeft aenghedaen.

6 – Als met handen te tasten sijnde dat alle de pretense omstandigheden die hij daerbij voorbrenght maer en sijn deckmantels ende lautere chimeren om waer het moghelijck sijnen handel te bewimpelen.

7 – Soo is in feijt waerachtigh dat den gedaeghde ende sijne huijsvrouwe op den voorschreven twelffsten juni seventhien hondert achthien wesende den feestdagh van de Heijlighe Dreijvuldigheijdt s’avonds ten thien ueren offte daer ontrent met den voornoempden Gillis Van Nieuwenborgh sijn gecommen van Heckelghem.

8 – Dat den gedaeghde dito Van Nieuwenborgh op den wegh grootelijcx heeft geaffronteerd hem doende d’een verwijt op d’ander.

9 – Ende daertoe gedurigh vloeckende ende sweirende.

10 – Dat den gedaeghde hem soo verre heeft verstout van te segghen dat alle de guldebroeders van de gulde van Meldert dieven waeren.

11 – Jae, tot den hooftman toe.

12 – Ende dat de stocken die sij als guldebroeders sijn draeghende allemael thiende dievenstocken waeren.

13 – Dat hij gedaeghde deselffs aen den voorschreven Van Nieuwenborgh sijnen guldebroedersstock die hij als doen in sijn handt hadt heeft willen affnemen.

14 – Dat hij den selven stock met ghewelt heeft vast ghepackt treckende al sijn macht om den selven te rucken vuijt de handen van dito Van Nieuwenborgh.

15 – Dat hij gedaeghde als doen andermael met grammen moed heeft gheseijt dat het was eenen dievenstock.

16 – Ende dat den selven met dievengeld ghecocht ende betaelt was.

17 – Dat hij gedaeghde den selven stock niet siende te becommen met seijnen eijghen handtstock den voorschreven Van Nieuwenborgh is aen ’t lijff gevallen.

18 – Ende den selven sijnen handtstock op het lijff van Van Nieuwenborgh heeft in stucken gheslaghen.

19 – Dat aldaer te Naerganck? ghecommen sijnde Judocus Geerstman den gedaeghde tot den selven heeft gheseijt, den eersten die aen mij compt, ick steke hem een mes in sijn hert.

20 – Dat den selven Geerstman hem gedaeghde evenwel van achter gegrepen hebbende mette armen.

21 – Den gedaeghde noch andermael heeft gheseijt dat alle de guldebroeders dieven waeren ende dat alle hunne stocken thiendedievenstocken sijn.

22 – Soo ende ghelijck allen het voorschreven preparatoirelijck is blijckende bij de declaraties van Jan Robeijns, Jan Carel Bastiaens, ende Judocus Geerstman, bij copijen autenticq hieraen ghevueght sub numevis primo, secundo, et tertio, ende op sijnen tijdt de saecke daertoe ghedisponeert sijnde naerder ad juvis sufficientiam sal worden geprobeert.

23 – Van geen aensien sijnde, de naeckte ende trouweloose ontkentenisse die den gedaeghde heeft bestaen inne te spannen met den achtsten articule sijnder voorschreven schriftuere van anhtwoorde teghens ’t ghene de aenleggeren van het voorgheposeerde met hunne verbaele conclusie in het cort hebben aengheraeckt.

24 – Daeraff sonderlijck van het selve gheposeerde van het eerste tot het leste bestaende in de waerheijdt ende de voordere ghetuijghens die de aenleggeren daertoe aen de handt hebben.

25 – Den gedaeghde dijenaengaende selver met sijnen negensten articule door de mande valt als hij aldaer seght dat het de waerheijdt wesen can dat hij gedaeghde beschoncken sijnde ende sijn bloedt verwermpt hebbende tot den voorschreven Van Nieuwenborgh wel can geseijdt hebben datter dieven in de gulde sijn.

26 – Aengesien dijerghelijck geseijde tegens eene gulde gecomposeert van geheele ende integre persoonen onder de welcke niemand en wordt geadmitteert nochte ghelaeten die met de minste vlecke besmeurt is, redundeert[7] op het geheel corpus.

27 – Ende vervolgentlijck om de eere van de gulde voor te staen bij niemand van de guldebroeders en magh ghetollereert worden.

28 – Het en doet niet dat den gedaeghde soude hebben droncken geweest ende noch veel minder ’t ghene hij gedaeghde is raetelende metten thienden, elffsten, ende volgende articulen totten vijffthienden inclus nopende Jan Asselijns.

29 – Want alsoo van den eenen candt – al hadt den gedaeghde droncken geweest, nochtans absolutelijck ontkent wordt – soo volghens de geschreven rechten als placcaerten van desen Lande, de dronckenschap niet en dient tot excusie van eenigh misdaed, articulo vijffthien edict: 10 juli 1629, en articulo undecimo edict, 1ste juli 1616.

30 – Soo blijckt vuijt het eijghen geposeerde des gedaeghde articulo vijffthien, dat sijn voorschreven temerair ende calumniens geseijde datter dieven in de gulde sijn, geene allusie en can ghemaeckt worden tot den voorschreven Jan Asselijns.

31 – Terwijlent hij gedaeghde presato articulo vijffthien selver is seggende dat dito Asselijns is eenen eerelijcken man.

32 – Et per consequens geenen dieff neque dieven ghelijck hij gedaeghde met de vuijtterste malitie[8] geseijt heeft te wesen in de gulde.

33 – Den gedaeghde heeft voorders onghelijck tot solutie op den sesthienden, seventhienden, achthienden, ende negenthienden articulen van sich te beclaeghen dat hij in alle de comparities van de gulde niet speciaelijck ad personam gequaert en wordt.

34 – Alhoewel het abusieff ende onwaerachtigh is dat iederen guldebroeder tot alle de comparities door den cnaep ofte tambour ghemaent wordt ende dat sulcks onder de gulde van Meldert soude wesen eene observantie.

35 – Als bekent sijnde dat alle de guldens hebben hunne gefixeerde daghen in het jaer tot de welcke eenieder van sijn selven weet te moeten compareren.

36 – Alhoewel inquam dat den gedaeghde proprio motu ghemanqueert heeft t’sedert eenigen tijdt herwaerts in de vergaederinghen te compareren ende sijn eijghen selven scheijnt affghedanckt te hebben.

37 – Soo hebben de aenleggeren overgroote redenen van den gedaeghde niet meer aen te draeghen, selffs ghenoeghsaeme stoffe om hem penitus van de gulde te removeren[9].

38 – Naedemael het oock in feijt waerachtigh is dat den gedaeghde soo langhe hij de gulde heeft gefrequenteerd gheduerigh den eenen ende anderen guldebroeder met woorden ende wercken heeft gheïnsulteert.

39 – Dat sijne petulantie[10] hem soo verre ghebrocht heeft dat hij gedaeghde in september 1715 ter vergaederinghe van de gulde grovelijck gheïnjurieert hebbende den persoon van Jan Van Mulders ingesetene van Meldert insgelijcx guldebroeder.

40 – Op de affvraeginghe die den voorschreven Jan Van Mulders hem heeft doen doen door den officier Guilliam Van Loes in presentie van twee goede mannen de voorschreven injuries heeft moeten revoceren.

41 – Ende daertoe op het voorder versuecke van den selven Van Mulders opentlijck sijn woordt heeft moeten herroepen in volle vergaederinghe van de wethouderen van Assche ten ghenechte van den seventhienden der voorschreven maendt van september seventhien hondert vijffthien als blijckt bij de acte daervan sijnde bij copije autenticq hier beneffens overgeleijdt sub numero quarto.

42 – Hierbij ghevueght dat het noch voorder waerachtigh is dat den gedaeghde soo onverlaeten is geweest van met sijn fusieck offt muscaton eenen van de guldebroeders te hebben willen doodt schieten.

43 – Hebbende effectievelijck naer dito guldebroeder gheschoten maer door godts hulpe den selven niet geraeckt.

44 – Quod plus est dat hij gedaeghde naer datum ghedrijght heeft den selven guldebroeder omver te steken al waer het thien à twelff jaeren daernaer hij bij hem als vriendt soude staen offt sitten ende als den selven sulcks het minste soude peijsen.

45 – Waernaer men aen U. E. ende aen elck ghesondt ghemoedt laet oordeelen offt de aenleggeren geene overvloedighe reden hebben om den gedaeghde van de gulde vuijt te sluijten om de guldebroeders aen dierghelijcke rampen niet te laeten geëxponeert.

46 – Den rimram van den tweeëntwintighsten, drijentwintighsten, vierentwintighsten, ende vijffentwintighsten articulen is totte sake gansch impertinent ende wordt daeromme als onweerdigh van solutie voorbij gegaen.

47 – Diendende voor sluijtreghel op den sessentwintighsten articule dat het verclaeren het ghene den gedaeghde daerbij ghevijnsdelijck is voordraegende niet satisfactoir en is overmits hij daerbij ter selver tijdt noch absolutelijck derfft ontkennen de voorschreven injuries ende calumnieuse woorden tegens de gulde vuijtghebrocht te hebben.

48 – Daer nochtans gelijck boven is geseijt de aenleggeren meer als te veele getuijghens aen de handt hebben om alle de selve injuries ende calumnieuse woorden volcomentlijck te proberen.

Mits welcke ende meer andere redenen ettha.

  • Debatterende den geheelen inhoudt van de voorschreven schrifture des gedaeghde bij expresse ontkentenisse, frivoliteijt, ende impertinentie quatenus contra acceptando omnia et singula que resultant pro.

Soo wordt noch wel vuijtterlijck in conventione gepersisteert als t’anderen tijde cum expênsis.

49 – Ende onder employe van het voor bedinghe antwoordende in de reconventie.

Daerbij oock eerst vooral debatterende ettha.

  • Soo wordt gheconcludeert ten eijnde den gedaeghde ende reconvenient om in reconventione geageert ende gheconcludeert te hebben, soo ende ghelijck hij dat in fine van sijne voorschreven schrifture heeft ghedaen sal worden verclaert onghefondeert ende nijet ontfanckbaer etiam cum expensis offte dat andersints ettha. Implorerende ettha.

 

De onderschreven verclaeren ende attesteren bij desen ten versoecke van Jan De Coster nochtans in faveur van justitie waerachtigh te sijn als dat wij op alle comparities van de gulde van Meldert worden vermaent door den cnaep, ’t sij totten voghel te schieten, soo worden wij gheroepen acht daeghen te voorens onder de wippe met boogh ende bauten, alster iemand van de guldebroeders sterfft soo worden wij wederom gheroepen door den cnaep om te commen bidden voor de ziel van den overledene, immers tot alle vergaederinghen, soo worden wij door den cnaep ontboden ende ghemaent te compareren, daer, oft daer het hem ghecommandeert is, dat oock waerachtigh is dat hij heere pastoor in sijne qualiteijt als hooftman op sekers vergaerdagh der gulde voorschreven heeft doen van de taefel retireren sekeren Jan Asselijns segghende dat hij eenen dieff was ende dat hij met gheen dieven en wilde aen taefel sitthen, in teecken der waerheijt soo hebben wij dit onderteeckent desen derden october seventhien hondert achthien, leeger stont, ick onderteeckent hebbe twintigh jaeren guldebroeder gheweest ende tot alle vergaederinghen ben ick geroepen gheweest door den cnaep ende was onderteeckent Peeter Buggenhout, Peeter De Kempeneer, Jacobus Van De Maele, ende bij forme van een cruijs waerbij geschreven staet, dit is het merck van Jan Van Nieuwenborgh, leeger stondt mij present ende was onderteeckent Jan Van Nieuwenborgh.

Concordantiam attestor.

 

 

Den ondergeschreven verclaert ende attesteert bij dese dat het waerachtigh is dat Gillis De Ridder in qualiteijt van cnaep van de gulde van Meldert ons als guldebroeders van over acht à negen jaeren ofte emmers soo lange als hij de gulde als cnaep heeft ghedient, heeft commen molesteren ende noode tot het schieten van den guldenvoghel met boghe ende bauten te compareren onder de reijppe ende naer den voghelscheute aen de taeffel, oock eenighe guldebroeders ghestorven sijnde om te convoyeren het lijck ende alsoo te hooren den dienst ende bidden voor de ziele ende voorts tot alle extraordinaire comparities raeckende de selve gulde, dat oock waerachtigh is dat hij heere pastoor in sijne qualiteijt als hooftman op sekeren vergaerdagh der selver gulde heeft doen van de taeffel retireren sekeren Jan Asselijns seggende dat hij eenen dieff was, ende dat hij met gheene dieven en wilde aenn de taeffel sitthen, in kennisse der waerheijt soo hebbe dese onderteeckent met ghelooffte van selve te herkennen ende reciteren daer ende alsoo dat het behooren sal. Actum desen vierden october seventhien hondert achthien, ende was onderteeckent J. De Witte, 1718.

Concordantiam attestor.

 

Replicque op antwoorde op conclusie reconventioneel met twee stucken annex voor Jan De Coster ingesetene der prochie van Meldert, Lande van Assche, gedaeghde en reconvenient, tegens die coninck, hooftman, dekens, ouderlinghen, ende guldebroeders der gulde van de selve prochie van Meldert, aenleggeren ende gereconvenieerden. Overgebrocht 11de 8ber 1718.

Den voorschreven gedaeghde ende reconvenient ghesien hebbende bij copije alsulcken replicque ten principaelen met antwoorde op conclusie reconventioneel als bij offte van weghens d’aenleggeren ende gereconvenieerde alhier voor U. E. is gedient ende overgebrocht apud acta van den achthienden september lestleden seght daer tegens het naervolgende onder alle ettha.

1 – Dat terwijlent d’injuris die in gramschap, colère, ofte dronckenschap worden gereprocheert nijet anders voor injuries en connen worden aengenomen ten sij dat den injuriant verclaert de selve staende te houden.

2 – Mitsgaeders datten gedaeghde ende reconvenient metten sessentwintighsten articule van sijne schrifture van antwoorde verclaert gehadt heeft dat ingevalle hij van de voorschreven guldebroeders in colère, gramschap, ofte dronckenschap eenighe injuries soude hebben gheprossereert hij de selve nijet en wilde staende houden maer dat hij hun was kennende voor eerelijcke luijden staende ten goeden naem ende faeme.

3 – Soo is het tegens recht dat die aenleggeren mette poursuitte deser saecke voortsgaen.

4 – Ondertusschen alsoo den heere pastoor wesende den hooftman der voorschreven gulde van Meldert, Jan Asselijns voor eenen dieff in volle tafel vuijtgescholden heeft als blijckt vuijtte declaratie hier annex bij copije authenticque sun numero 1 als de ghene hier ghevoeght sub numero 2.

5 – Soo en can hij alsnu tegens sijne eijgen reprochen nijet opcommen.

6 – Vervolgens oock nijet Jan Asselijns voor dat hij den voorschreven heere pastoor de voorschreven injuries heeft doen revoceren.

7 – Daer en is oock nijemandt als Jan Robijns die spreckt van dat den gedaeghde pretenselijck sijne eijgen stock op de schouders van Gillis Van Nieuwenborgh soude hebben in stucken gheslaghen.

8 – Soo dat hij daerop gheen ghelooff en can maecken volgens het triviael testimonium vuius testimonium nullius.

9 – Wat nu raeckt d’injuries die hij gedaeghde ende reconvenient ten jaere seventhien hondert vijffthien soude hebben gheprofereert behalffvens dat hij insgelijcx alsdan daervan leetwesen heeft gehadt.

10 – Soo en can hij daerover alsnu nijet worden gheactioneert.

11 – Overmits d’acte van injurie is annael ende metten laps van ’t jaer compt te prescriberen ende verdwijnen.

12 – Inder voeghen dat hij in conventione emmers naer sijn voorschreven verclaeren antwoord ende ghedaen nijet meer en conde gheconvenieert worden.

13 – Selffs soo en conde hij in geender manieren worden gheactioneert voor dat de aenleggeren aen hem hadden daen affvraeghen ofte hij de ghepretendeerde injuries hadde gheprossereert ende ofte hij die selve wilden houden staen.

14 – Wat nu aengaet de materie reconventioneel, men accepteert dat de gereconvenieerde ende aenleggeren moeten toestaen dat den reconvenient is guldebroeder der voorschreven gulde der prochie van Meldert.

15 – Voorders men accepteert oock dat sij moeten toestaen dat hij reconvenient noijnt t’sedert sijn incomste der gulde voorschreven en wordt off is ghequaert ofte gheroepen gheweest in de vergaederinghe der voorschreven gulde maer ter contrarie aen den cnaep der selver gulde verboth ghedaen was van hem reconvenient nijet te quaerten ghelijck suo tempore sal proberen door den selven cnaep der voorschreven gulde.

16 – Waer vuijt hij de facili can speuren dat sijne eere ende reputatie aen de gheconvenieerde suspect is.

17 – Soo verre dat hij van iedereen wordt aensien voor eene persoon waerop de gereconvenieerde iets weten te seggen.

18 – Sijnde abusieff dat de guldebroeders totte vergaederinghe nijet en souden moeten ghequaert worden ghelijck preparatoirelijck blijckt vuijtte medegaende declaratie bij copije authenticque sub numero 2 als de ghene hier gevoeght sub numero 1.

19 – Waer vuijt volght dat hij ten rechte versocht heeft de redenen waeromme sij hem int quaerten ende maenen totte voorschreven vergaederinghe voorbij gaen.

Mits allen den welcken ettha.

20 – Debatterende den gheheelen inhout van de voorschreven schrifture van replicque ten principaelen ende antwoorde op conclusie reconventioneel bij pure frivoliteijt, impertinentie, ende expresse ontkentenisse quatenus contra.

  • Soo wordt ghepersisteert als t’anderen teijde cum expensis off dat andersints ettha.

Implorerende ettha.

 

Aen U. E. die heeren bestierderen des Lants van Assche.

Verthoonen reverentelijck die coninck, hooftman, ende guldebroeders der gulde van Meldert hoe dat sij alhier voor U. E. genootsaeckt sijn proces te sustineren[11] in qualiteijt van aenleggeren ende gereconvenieerde tegens Jan De Coster gedaeghde ende reconvenient waerinne de supplianten souden moeten dienen van duplicque in de reconventie ende aleer ’t selve te doen hebben geraeden gevonden te dienen van de medegaende schrifture van naerdere antwoorde in materie van conclusie reconventioneel ’t welck mits den staet van saecke nijet en mach geschieden sonder U. E. permissie, redenen dat hij hem keert totte selve.

Oodtmoedelijck biddende gelieve gedient te sijn de permissie daertoe noodigh in de marge deser te accorderen d’welck doende ettha.

Schepenen accorderen aen de supplianten de permissie alhier versocht partije geheel ettha. Actum in collegio desen 6de Xber 1718 Put, schepenen prout in rota. Mulders 1718.

 

 

 

Naerdere antwoorde in materie van conclusie reconventioneel ende de permissie daerom voor die coninck, hooftman, ende guldebroeders der gulde van Meldert aenleggeren ende gereconvenieerde, tegens Jan De Coster, gedaeghde ende reconvenient. Gedient apud acta van den 6de Xber 1718.

De voorschreven aenleggeren ende ghereconvenieerde bij copije gesien hebbende alsulcken schrifture van replicque en antwoorde op conclusie reconventioneel met twee stucken annex als bij ofte van wegens den gedaeghde ende reconvenient voor U. Eerw. Is gedient ende overgeleijdt apud acta van den ?? lestleden doen daer teghens, segghen bij forme van naerdere antwoorde naer vermoghen van de medegaende permissie het ghene hiernaer volght ander alle ettha.

1 – Dat het contrarie is aen alle recht dat gramschap, colère, ofte dronckenschap aen de delinquenten can te staede commen om hun aff te wasschen van het feijt ofte misdaet in gramschap ofte dronckenschap.

2 – Saltem nijet in gravioribus nochte oock in levioribus om geheelijck te connen ontgaen de penen ende straffen daertoe staende.

3 – Dat vervolghentlijck den gedaeghde ende reconvenient ten desen met dierghelijck pretext niet en can te voorscheijn commen om hem te excuseren van de injurie ende overgroote eerkrenckinghe waerover de aenleggeren sijn polerende.

4 – Ghemerckt dat alwaer het saecke hij gedaeghde ten tijde van de selve injuries met gramschap, colère, ofte dronckenschap bevanghen hadt geweest quod tamen belaghbaer is ende nullatemis en wordt toegestaen de calumnie[12] ende schandaleuse woorden door hem vuijtgebolt teghens het geheel corpus van de gulde te seer sneijdigh ende affdraeghende sijn om den gedaeghde ongheslaeghen te laeten vuijt de baen gaen, veel minder om hem gedaeghde te laeten loopen sonder publicquelijcke coram judice de voorseijde injurie te herroepen ende aen de aenleggeren te doen reparatie.

5 – De aenleggeren hier inne ondersteunt worden per julium clarum lib: 5 § injuria n° 16, item eodem lib. § final quest: 60 vers est etiam et per infinitos alios authores quos brevitatis causa omittimus.

6 – De welcke oock eenpaerelijck sijn leerende quod penitentie injuriantis neutiquam excuset â penâ que licet in soro interiori culpam deleat non tamen in exteriori actionem ad penam …

7 – Dus dat alwaer het saecken den gedaeghde propter lubricum sue lingue ende sijne ongesnoijde vermetentheijt alsnu leetwesen wilde bethoonen op de maniere gelijck hij in fine van sijnen eersten articule scheijnt te willen doen het selve leetwesen evenwel hem wederomme in geender feijte en can behulpsaem sijn.

8 – Als daerbij incontestabelijck gerequireert worde eene publicque herroepinghe ende reparatie van eere ut verbo quem diocevit reparet injuriam.

9 – Het ghene den gedaeghde selver soo wel bevath heeft dat hij nu eijndelijck met den tweeden articule van sijnen voorschreven schriftuere van replicque compt verclaeren dat ingevalle hij van de voorschreven guldebroeders in collère, gramschap, ofte dronckenschap eenighe injuries soude hebben gheproffereert, hij de selve niet en wilt staende houden maer dat hij hun is kennende voor eerelijcke luijden staende ter goeden naeme ende faeme.

10 – ’t is wel waer dat hij gedaeghde bij den selven articule scheijnt te willen inbelden al oft hij het geseijt verclaeren alreede soude gedaen hebben met den sessentwintichsten articule van sijne voorgaende schrifture van antwoorde.

11 – Welck eerste verclaeren nochtans grootelijckx differeert van de explicatie die den gedaeghde daeraen geeft met sijn voorsijdt tweede verclaeren gedaen articulo secundo van sijn voorschreven lest gediende schrifture van replicque.

Als in het eerste expressis verbis geseijt hebbende om de aenleggeren te amuseren dat hij gedaeghde pretenselijck noijnt gepeijst en heeft gehadt van de injurieuse woorden bij de verbaele conclusie der aenleggeren geroert gesproken te hebben.

13 – Ende in het tweede integendeel bekennende de selve injuries in collère, gramschap, ofte dronckenschap te hebben geproffereert.

14 – Doch hoe het is ofte nijet terwijlent het leste der geseijde tweede verclaeren relatieff is tot het eerste ende den gedaeghde vervolgentlijck het eerste tot soo verre heeft geëxtendeert als het tweede is vermeldende.

15 – Soo verclaeren de aenleggeren mits desen de voorschreven twee verclaerens des gedaeghde respectieve gedaen met den sessentwintichsten articule van sijne schrifture van antwoorde ende den tweeden articule van sijne voorschreven schrifture van replicque te accepteren op conditie nochtans dat den gedaeghde sal worden gecondemneert in de costen ter saecke van de voorschreven injuries geresen ende dat hem daerenboven verboth worde gedaen de aenleggeren ofte iemand vuijt hun corpus in het toecommende meer te injurieren op alsulcken pene als U. E. sullen gelieven te decerneren[13], versueckende op dijen voet decretement ende acte.

16 – Men conditioneert de selve acceptatie der aenleggeren met condempnatie van costen tot laste des gedaeghde om dieswille dat den gedaeghe bij middel sijnder twee voormelde verclaerens opentlijck is kennende sijn ongelijck ende in substantie in der aenleggeren conclusie van den achtentwintichsten juni seventhien hondert achthien is defenderende.

17 – Gelijck seer wel ten cas voorhanden leert D: raport en son récueil des arrests notables des cours souveraines de France lib: 8° tit. 3° arr. 15 et 16, disant que si le defendeur convenus en matières d’injures pour toutes defenses dit qu’il ne les veut soustenir où maintenir mais au contraire qu’il s’en dedit et qu’il conffesse le demandeur homme de bien et rien coupable ni tachez ce que porte l’injure, il doit bien eviter les amendes horraires et pecuniaires mais qu’il doit ce néanmoins être condamné es despens de l’instance et qu’il lui doit en oultre estve defendus de plus convicier ni diffamer le demandeur à certaine peine et aussi permis au demandeur de faire publier tel jugement pour toute réparation.

18 – Het gheseijt verboth waermede de gedaene acceptatie der aenleggeren van gelijcken is geconditioneert ten hooghsten noodtsaeckelijck sijnde ten aensien dat den gedaeghde als bij de voorgaende schrifture der aenleggeren is bethoonende ende door hem gedaeghde de selver met sijne leste schrifture van replicque opentlijck wordt toegestaen hier voorens noch de temeritijdt heeft gehadt van de guldebroeders op de selve weijse te injurieren ende aldus op eene pene ende amende moet worden ingethoompt ende in de ….. van sijn devoir cort ingesloten.

19 – Waernaer passerende het eijdel geraisonneerde des gedaeghde vervath bij den vierden articule sijnder voorschreven schrifture van replicque, soo oock het ghene den gedaeghde daer vuijt onnooselijck heeft getracht te infereren[14] met den vijffden ende sesden articule.

20 – Als den inhoudt van den eenen ende den anderen der selve articulen overvloedelijck gerefuseert sijnde door de peremptoire[15] redenen weghens de aenleggeren opgehaelt met den dertichsten ende twee volgende articulen hunder voorgaende schrifture van replicque ten principaelen.

21 – Gevueght dat den gedaeghde in plaetse van met het voorgevende sijnder drije voornoempde articulen eenigh proffeijt te connen doen sijn selven in teghendeel directelijck is tegensprekende in sijn verclaeren antherieurelijck gedaen bij den tweeden articule der selve sijne schriftuere van replicque in materie van conclusie reconventioneel.

22 – Tot soo verre dat de aenleggeren om dese reden het selve verclaeren des gedaeghde met het alderbeste fondament souden hebben connen debatteren.

23 – Passerende dan ende voor onweerdich van voordere solutie affstaende de voorseijde drije articulen der lest gediende schriftuere des gedaeghde.

24 – Soo sal dienen teghens den sevensten ende achtsten articule der selve schriftuere dat de aenleggeren noch voorderen thoon connen bij de werck brengen om ten rechte genoech te proberen dat den gedaeghde sijnen eijghen stock op de schouders van Gillis Van Nieuwenborgh heeft in stucken geslaeghen.

25 – Dus dat ingevalle de saecke op voorderen thoon aencompt den gedaeghde sekerlijck over dese feijtelijckheijdt ende temerairen aenslagh extraordinair sal behooren gecorrigeert te worden.

26 – Attento dat de voorschreven slaeghen mits aen Gillis Van Nieuwenborgh geïnfigneert als lithmaet ende suppost van de gulde ten naesten beijde voor soo erg te aensien sijn al offt de geheele gulde op diergelijcke weijse hadt mishandelt geweest.

27 – Raeckende de injuries waervan den gedaeghde tot sijn naedeel ende schande spreeckt met den negensten, thienden, elffsten, twelffsten, ende derthiende articule alhoewel hij gedaeghde over de selve injuries aen de geoffenseerde partije heeft satisfactie gegeven met publicquelijck de selve injuries te herroepen ende de selve partije te kennen voor eenen man van eere staende ter goeden naem ende reputatie.

28 – Soo is evenwel constant dat terwijlent den gedaeghde altoos valt van den eenen op den anderen ende aldus met het recht scheijndt te willen den spoth maecken altijt met eene simpele revocatie nijet en can gestaen (volstaan).

29 – Maer nootsaeckelijck pro ut iam inde dictum boven de revocatie met eene condigne[16] geldboete offt andere pene soude moeten worden gestrafft als notoir sijnde dat de penen grooter worden naer proportie dat het feijt wordt geïtereert[17] ende dat selffs de geldboeten propter recidivam in lijffstraffen sijn veranderende.

30 – Wat aengaet den vierthienden, vijffthienden, ende volghende articulen tot den lesten inclus, opsicht hebbende totte reconventie, men persisteert andermael dat het onwaerachtich is dat de guldebroeders tot alle de vergaederingen speciaelijck souden moeten gequaert worden.

31 – De pretense gehappeerde declaraties des gedaeghde aen sijn schriftuere gevueght hem dijenaengaende selver van onwaerheijdt overtuijghende overmits sijne pretense declaraties daerbij maer en weten te spreken van twee dijergelijcke vergaederinghen tot de welcke de guldebroeders specialijck door den cnaep worden geroepen.

32 – Tot een teecken evident dat tot de andere vergaederinghen die drije à viermael meerder int getal sijn het quaerten niet en wordt gerequireert.

33 – Ende soo de aenleggeren affsonderlijck van dijen t’allen teijde tot confusie des gedaeghde connen proberen.

34 – Men persisteert oock dat de aenleggeren overvloedige reden hebben om den gedaeghde van de gulde te removeren ende om hem aldus nequidem tot de twee geruerde comparities gelijck als d’andere guldebroeders speciaelijck door den cnaep te moeten doen roepen.

35 – Als men in consideratie leijdt de doordringhende redenen die de aenleggeren bij hunne voorgaende schriftuere hebben voor den dagh gebrocht.

36 – Videlicet dat den gedaeghde soo langhe hij de gulde heeft gefrequenteert geduerigh den eenen ende den anderen niet alleen met woorden en heeft geïnsulteert[18].

37 – Maer dat hij soo onverlaeten is geweest van met sijn fusieck ofte muscaton eenen van de guldebroeders te hebben willen doodt schieten.

38 – Ende naer sijnen scheut gemist te hebben heeft gedreijght den selven guldebroeder te sullen omver steken alwaer het thien à twelff jaeren daernaer, daer sij bij hem als vrindt soude staen ofte sitten ende als den selven sulcx het minste soude peijsen.

39 – Waervan den gedaeghde hem in sijn gemoedt soo verre heeft bevonden overtuijght dat hij hiertegens in sijne lest gediende schriftuere niet een woordt en heeft weten te t’expliceren.

40 – Tam autem dese stilsweijgentheijdt aennemende voor eene bekentenisse soo en can niemant twijffelen als dat den voorgemelden enormen act den gedaeghde onweerdich heeft gemaeckt om het ampt van guldebroeder te connen becleeden.

41 – Ende dat hem is, het indispensabel devoir der aenleggeren den gedaeghde van de gulde vuijt te sluijten om hunne conffreers aen dijergelijcke rampen nijet te laeten geëxponeert.

42 – Daer de reden ende de nature selffs dicteert dat diergelijcke boose ende quaetaerdige persoonen moeten geschouwt worden.

43 – Signanter in eene gulde daer men in vrindtschap ende minschap met malckanderen handelen moet ende in de welcke niemandt en wordt getollereert die met de minste vlecke besmeurt is.

Mits welcke ende meer andere redenen naerder duplicando in reconventione te deduceren.

Debatterende ettha.

  • Soo wordt in conventione ut supra versocht decretement ende acte van de acceptatie der aenleggeren op den voet ende conditie hierboven gedaen articulo vijffthien alias ende bij faute dijer nochmael gepersisteert als t’anderen tijde cum expensis.
  • Ende onder employe van de redenen vervath articulis achtendertich, negenendertich, viertich, eenenviertich, tweeënviertich, drijenviertich, ende vierenviertich van de schrifture van replicque ten principaelen der aenleggeren hierboven articulis sessendertich, sevenendertich, ende achtendertich gerepeteert in reconventione andermael wel expresselijck geconcludeert ende gepersisteert tot des gedaeghde niet ontfanckelijckheijdt.

Etiam cum expensis ofte dat andersints ettha.

Implorerende ettha.

Naerdere replicque op naerdere antwoorde in materie van reconventie met acceptatie voor Jan De Coster innegestene der prochie van Meldert, Lande van Assche, gedaeghde ende reconvenient tegens die coninck hooftman, dekens, ende guldebroeders der Gulde van den selve ??? gedient apud acta van den 17de januari 1719.

3 – ………….. neffens d’andere guldebroeders der twee vergaederinghen totte welcke de guldebroeders specialijck volgens hunne bekentenisse mette naerdere antwoorde in fine articule eenendertigh ghedaen door den cnaep worden gheroepen.

4 – Hij gedaeghde inquam tot defensie van sijn eer ende faem die voorschreven injuris met woorden te propulseren ende repelleren supposito dat daervan prevue souden ghedaen worden.

5 – Sijnde sulx d’eenparighe leeringhe der rechtsgeleerden Van Gael, lib. 2 observu: 100 ……. (verder verwijzingen naar opmerkingen van voorgaande uitspraken van rechtsgedingen)

6 – Inder voeghen dat het ondersoeck ofte den gedaeghde aen injurie plichtigh is ofte nijet, hiervan dependeert ofte hij totte voorschreven vergaederinghen moete worden ghequaert[1] neffens d’andere guldebroeders ende ofte nijet quaetteringhe per se injurieus is.

7 – Raeckende d’eerste der aenleggeren moeten stilswijgende toestaen datten gedaeghde is becleet metten tittel van guldebroeder.

8 – Waer vuijt volght dat hij neffens d’andere guldebroeders moete ghequaert worden sunderlinge in de vergaederinge totte welcke alle guldebroeders specialijck door den cnaep worden geroepen.

9 – Waer vuijt bij naederen ghevolge ten rechte wordt besloten dat de quarteringe des gedaeghde totte voorschreven vergaederinge per se injurdis is ende naer sigh slijpt den maniselt ghevolgh datter iets op des gedaeghde eere ende reputatie is te seggen als te weten dat hij is eenen dieff ofte eenen persoon die onweerdigh is met eerelijcke luijden in de voorschreven comparities te verschijnen.

10 – Ende alsoo de voorschreven quarteringe raeckt het geheel corpus int generael ende speciael soo heeft den gedaeghde de voorschreven injurie vermocht te propulseren ende repelleren met injurie streckende tot reparatie van sijne eere.

11 – Dit scheijnt den raet der aenleggeren oock wel bevath te hebben hoc ipso dat hij mette vijffendertighste, sessendertighste, sevenendertighste, ende achtendertighste articule compt beroepen de redenen die d’aenleggeren soude hebben bewoghen om den gedaeghde vuijtte voorschreven quaerteringhen te laeten ende vuijt de voorschreven comparities te houden.

12 – Maer dusdanige redenen sijn soo debiel dat ter contrarie supposito non consesse veritate de selve in geene consideratie en connen vallen.

13 – In sonderheijt, gheconsidereert d’extinctie van allen het voorigh ghepasseert ende het verclaeren alsdan bij den gedaeghde ghedaen.

14 – Soodanighlijck dat daer vuijt alsnu gheene materie en can gedistileert worden om den ghedaeghde nijet te quaerten ende vuijtte voorschreven comparitie te houden.

15 – Maer indijen de aenleggeren souden hebben vermijnt daer vuijt eenighe stoffe ofte materie te connen vinden om den gedaeghde nijet te doen quaerten ofte vuijtte de voorschreven comparities te houden, het was hun debvoir dijenaengaende tempore habilij hunne actie inne te stellen.

16 – Dan alsnu met sulcke pretense redenen voor de dagh te willen commen in vuijtterlijcken ghevalle te laet wesen om redenen mette voorgaende replicque des gedaeghde voorgehouden.

17 – Notanter ghemerckt dat hij van over jaeren ende dagh metten geseijde Francis Robijns is gereconcilieert gheweest ende in eene intieme vrintschap heeft geconverseert gehadt.

18 – Sijnde in feijt waerachtigh dat den gedaeghde t’sedert met hem meer als thien rekeninghen raeckende derde persoonen heeft gheadviseert ghehadt.

19 – Ende al ist dat hij doentertijt pretenselijck soude moghen verclaert hebben, laet wesen te hebben, vremde pretense injuris, pretenselijck gedaen aen dito Robijns, sulcx en is geene redenen om hem vuijtte voorschreven vergaederinge te houden.

20 – Naerdemael dat hij daerdoor gheene injurie gheïncurreert heeft gehadt.

21 – Ende alnogh impertinenter is te spreken van dat hij gedaeghde met sijne muscaton[2] pretenselijck naer eene van de guldebroeders soude hebben gheschoten ende naer sijnen scheut pretenselijck ghemist te hebben, hem pretenselijck gedreijght te hebben te sullen onverre steken al waer het thien à twelff jaeren daernaer.

22 – Want men heeft mette replicque naerghelaeten daer tegens te repliceren, nijet om door de stilswijgentheijt in eenighe bekentenisse te vallen.

23 – Maer omdat al soude daervan pretenselijck iets sijn gheweest (des neen)

24 – Soo en soude daer vuijt evenwel nijet connen besloten worden datten gedaeghde hem pretenselijck soude onweerdigh ghemaeckt hebben van het ampt van guldebroeder te connen becleeden.

25 – Dan wel soo soude aen de pretense alleenlijck openstaen aen de actie.

26 – Ende ter wijlent dat nijet en blijckt van dese actie, veele min van eenighe sententie declaratoir van den rechter.

27 – Soo is frivool d’employe van den negenendertighste totten vierenveertighste articulen van de replicque ten principaelen der aenleggeren mette repetitie ghedaen articulis sessendertigh, sevenendertigh, ende achtendertigh mitsgaeders die glossen daer vuijt geformeert, articulis eenenveertigh, tweeënveertigh, ende drijenveertigh van de naerdere antwoorde.

28 – Waer vuijt resulteert dat de voordere glossen der aenleggeren ghemaeckt op de pretense calomnie ende fraudaleuse woorden ende pretense mitsgaeders pretense vermetentheijt des gedaeghde ende der andere vermijnen bij hun ghebruijckt om aen den rechter eene quaede impressie te geven van de conditie des gedaeghde ende den voorschreven rechter te misleijden tot eene condemnatie, ’t sij in costen oft andersints bij de aenleggeren seer quaelijck gheappludeert.

29 – Vermits dat nijemant van injuris en is gehouden ten sij dat blijckt van den animus injurendi, den welcken in de actie van injurie eenighlijck moet geconsidereert ende inne ghesien worden.

30, 31 en 32 – en verder onleesbaar.

  • Debatterende den geheele inhout van de voorschreven naerdere antwoorde in materie van conclusie reconventie der gereconveneerde ende aenleggeren bij impertinentie, frivoliteit, ende denegatie quantenus.

Soo persisteert den gedaeghde alnoch wel vuijtterlijck als anderen zeijde cum expensis oft ettha. Implorerende ettha.

[1] Ghequaert van Quaerten = bijeenroepen, ter vergadering oproepen.

[2] Muscaton = van musketon = ouderwets wapen, zwaarder dan musket.

[1] Injurieuse = van injure = onrecht, schade, belediging, scheldwoord.

[2] Persuasie = 1) Overreding 2) Overredingskracht 3) Overtuiging.

[3] Vermoedelijk betreft het hier Judocus Gerstman geboren omstreeks 1700 en getrouwd te Hekelgem op 24 februari 1732 met Catharina Mattens.

[4] Exhiberen = (procesrecht) neerleggen of laten zien van een document.

[5] Sustineren = (oude rechtstermen:) zich beroepen op.

[6] Insisteren = 1) Aandringen 2) Op iets staan.

[7] Redunderen = neerkomen op, ten laste – bate komen van …..

[8] Malitie = In de oudere opvatting – boosaardigheid, kwaadwilligheid, thans verouderd.

[9] Removeren = 1) Afbreken 2) Afzetten 3) Verwijderen 4) Wegruimen.

[10] Petulantie = opvliegendheid, woestheid.

[11] Sustineren = (oude rechtstermen:) zich beroepen op.

[12] Calumnie = achterklap.

[13] Decerneren = gerechtelijk besluiten, toekennen.

[14] Infereren = invoeren, inbrengen.

[15] Péremptoire = beslissende, afdoende.

[16] Condigne = gepaste, evenredigde.

[17] Itereren = herhalen.

[18] Insulteren = 1) Beledigen 2) Honen.

[1] Zie ook: “De handbooggilde van van Meldert“, Ben Vermoesen en Dom Wilfried Verleyen O.S.B., De Faluintjes nr. 1 en 2, 2012. “Da was nen toëd, jong“, Arnold Van de Perre, D/2011/11.188/1

[2] Zie ook:”Een gênante geldzaak te Meldert in het jaar 1738“, Edmond Schoon, De Faluintjes nr. 4, 2015.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: